A02. Het notenschrift
A02. Het notenschrift
2.1 Geluid
Geluid is trillende lucht. Geluiden waarbij je geen toonhoogte kunt vaststellen worden geproduceerd door onregelmatige trillingen. Dit noemen we geruis. Denk hierbij aan de trommels en bekkens van het slagwerk. Regelmatige trillingen vormen een toon waarbij je de hoogte kunt vaststellen.
2.2 Notenbalk
Om de juiste hoogte op papier aan te kunnen geven schrijven we de noten op
en tussen
de 5 lijnen van de notenbalk.
We tellen de lijntjes van onder naar boven. 
2.3 Stamtonen
Elke plaats in de notenbalk geeft de noot een andere naam.
Hiervoor gebruiken we de eerste 7 letters van het alfabet.
A / B / C / D / E / F / G Dit noemen we de stamtonen
2.4 Sleutel
Om te weten welke naam op welke plek hoort, hebben we een sleutel nodig.
Deze G-sleutel (viool-sleutel) krult om de 2e lijn. De noot op deze lijn heet nu de G.
Deze F-sleutel (bas-sleutel) geeft met de 2 puntjes de 4e lijn aan. De noot op deze lijn heet nu de F.
Wanneer de noten omlaag gaan, gaat het alfabet achteruit. 
Wanneer de noten omhoog gaan komt niet de H, maar weer de A, B, C enz. 
2.5 Hulplijntjes
Wanneer we niet genoeg hebben aan 5 lijnen gebruiken we hulplijntjes

